11. ‘Refeeding’ als laatste redmiddel
Op een gegeven moment kunnen AN-patiënten in een gevaarlijke negatieve spiraal terecht komen, waarbij ze steeds verder afvallen. Ze eten dan vrijwel niets meer. Ze worden steeds onrustiger en dwangmatiger. Doodsbang als ze zijn om de controle te verliezen. Dan ontstaat er een gevaarlijke combinatie van levensbedreigende ondervoeding en totale uitputting van het lichaam. Behandelaren moeten in deze fase van de ziekte extra alert zijn, dat de patiënt niet zelf besluit om een eind aan haar leven te maken.
Zonder medisch ingrijpen, zal de patiënt sowieso binnen afzienbare tijd overlijden. Een opname in een ziekenhuis is op dat moment onvermijdelijk geworden. Soms, als de patiënt niet meewerkt aan zo’n opname, dan wordt ze via een rechterlijke machtiging verplicht opgenomen voor een ‘refeeding’ behandeling.
‘Refeeding’ versus sondevoeding.
Wij duiden ‘refeeding’ van een AN-patiënte in Nederland meestal aan met de tamelijk onschuldig klinkende term ‘sondevoeding’. Waarmee deze behandeling, ten onrechte, een onschuldige ingreep lijkt te zijn. Daarmee wordt voorbijgegaan aan de ernst van de situatie. In deze fase van de ziekte zijn de patiënten zo ernstig ziek, dat het willekeurig toedienen van sondevoeding aan hun totaal uitgehongerde lichaam levensgevaarlijk kan zijn. Daarom geef ik er in deze speciale situatie, de voorkeur aan om de Engelse term ‘refeeding’ te gebruiken.
Bij een ‘refeeding’ behandeling wordt in eerste instantie gepoogd om de patiënt frequente kleine maaltijden te laten eten, onder supervisie. Dit is behoorlijk arbeidsintensief en mislukt vaak omdat de patiënten te angstig zijn en niet meewerken. ‘Refeeding’ komt er in de praktijk meestal op neer, dat de patiënt een maagsonde krijgt. Bij AN-patiënten kiest men er meestal voor om de (vloeibare) voeding als een soort ‘maaltijd’, in de vorm van een ‘bolus’ via een injectiespuit toe te dienen.
- 11.1 Het ‘refeeding syndroom.’
Het ‘refeeding syndroom’ werd voor het eerst beschreven door Ansel Keys en zijn groep in de 50’er jaren (zie hoofdstuk vijf over het Minnesota experiment). De deelnemers van hun onderzoeksgroep kregen, na een half jaar op een streng dieet te hebben geleefd, weer extra voeding om te herstellen van hun ondervoeding. Enkele van deze, voorheen kerngezonde mannen, ontwikkelden daardoor hartfalen en werden ernstig ziek.
Hetzelfde overkwam overlevenden van de Duitse concentratiekampen, die na hun vrijlating de beschikking kregen over een, voor hun doen, overvloed aan voedsel. Velen overleden na de bevrijding aan hartfalen of fatale hartritmestoornissen en niemand begreep hoe dit kon.