1. Mijn eerste patiënt met anorexia nervosa (ΑΝ)

Mijn eerste patiënte met anorexia nervosa, die ik in 1996 onder behandeling kreeg was Greetje (niet haar echte naam). Ze was net zestien geworden. Ze was behoorlijk lang voor haar leeftijd en ze zag er in haar kleurige zomerjurk bepaald niet ziek uit. Het donkerblonde licht krullende haar hing tot op haar schouders. Je kon zien dat er een elegante vrouw in haar aan het ontluiken was.

Greetje bleek in drie maanden tijd vijftien (!) kilo te zijn afgevallen. Zelf had ze geen idee hoe dat kwam. Ze beweerde stellig, dat ze niet op dieet was gegaan en zei dat ze probeerde om zo normaal mogelijk te eten. Op al mijn vragen over eventuele lichamelijke klachten kreeg ik een negatief antwoord. ‘Nee hoor’, zei ze, ze had nergens last van. Nou ja, behalve dat het eten haar tegenstond. Ze was eigenlijk alleen gekomen, omdat haar moeder zich grote zorgen maakte.

Haar moeder kende ik als een vriendelijke, wat oudere vrouw, die geregeld op het spreekuur kwam vanwege haar hoge bloeddruk. Ze was al jaren weduwe. Haar man was ruim veertien jaar tevoren overleden, bij een ernstig motorongeval.

Ik vertelde Greetje dat ik haar bloedruk wilde controleren en dat ik haar graag even zou willen wegen. Daar had ze geen bezwaar tegen. Haar bloeddruk bleek echter niet goed te meten. Ik prutste wat aan het apparaat en mat haar bloeddruk nog maar eens en probeerde het ook aan de andere arm. Uiteindelijk kwam ik uit op een bloeddruk van 90 over 55. Een veel te lage bloeddruk, zelfs voor een meisje van haar leeftijd. Maar ik liet niets merken.

Ze deed, op mijn verzoek, zonder morren haar schoenen uit en stapte op de weegschaal. Haar gewicht bleek nog lager te zijn dan ik al had vermoed. Ze woog 51,6 kg terwijl ze 176 cm lang was. Een snelle berekening leerde mij, dat zij al diep in de categorie van ernstig ondergewicht was beland.

Zelf scheen ze ook verbaasd en riep uit: ‘Jeetje ik dacht dat ik rond de 60kg zou wegen. Is die weegschaal wel goed?’ Ik antwoordde haar dat de weegschaal pas nog geijkt was. ‘Hoeveel woog je een half jaar geleden ongeveer’, vroeg ik haar. Ze dacht rond de 65 kg, maar wist het niet precies. Het leek mij raadzaam om voorlopig nog niet aan te dringen op een verder lichamelijk onderzoek, aangezien ik vermoedde dat ze daar moeite mee zou hebben. Dat zou ik later wel doen als ik haar vertrouwen had gewonnen. Nadat we weer waren gaan zitten, besprak ik mijn bevindingen met haar. Ik vertelde haar dat ik haar gewicht zorgwekkend laag vond en dat ik daarom graag een bloedonderzoek wilde laten verrichten, om naar een oorzaak te zoeken voor haar gewichtsverlies. Hier had ze geen bezwaar tegen en ze ging redelijk onbezorgd met een formuliertje voor het bloedonderzoek mijn spreekkamer uit.