2. Metabole stoornissen in de huisartsenpraktijk

Stoornissen in het metabolisme (de stofwisseling) komen veel voor in een huisartsenpraktijk. Denk hierbij aan suikerziekte, obesitas, hart- en vaatziekten, hoge bloeddruk, schildklieraandoeningen en andere hormonale stoornissen. Patiënten, die aan deze aandoeningen lijden, vormen een groot deel van het dagelijkse werk van huisartsen. Dat deze aandoeningen vaak sterk familiair bepaald zijn, werd mij steeds duidelijker toen ik de patiënten in mijn huisartsenpraktijk beter leerde kennen.

Als huisarts in een dorp, krijg je na verloop van jaren een steeds sterkere band met je patiënten. De familieverbanden, die je in het begin nauwelijks kent, krijg je echter pas na enkele jaren door. Langzamerhand begin je hun typische karaktertrekken en eigenaardigheden te herkennen en dat levert je geleidelijk aan een schat aan relevante informatie op. Je kijkt dan als het ware dwars door de families heen. Je leert hun familiaire aanleg en gevoeligheden voor specifieke ziektes kennen, wat je als huisarts erg van pas kan komen.

Als je dat gaat zien, dan beland je in een andere dimensie van kennis. Alle geleerde kennis blijft uiteraard van belang, maar als deze extra inzichten zich na verloop van tijd steeds meer voor je openvouwen, dan verbreedt dat je diagnostisch palet enorm. Het is als het ware een soort ‘next level’ waarin je terecht komt. Opeens begrijp je daardoor, waarom iemand op een bepaalde manier reageert, omdat je diezelfde reactie ook hebt gezien bij een ander familielid.

Nadat ik, na zo’n 15 jaar in mijn praktijk had gewerkt en ik een groot deel van mijn patiënten steeds beter had leren kennen, begon het mij op te vallen dat ik mensen uit bepaalde families, na hun 40e jaar steeds vaker op mijn spreekuur zag. Rond die leeftijd, begonnen ze de eerste verschijnselen van chronische metabole ontregelingen te ontwikkelen. Zo kreeg de een hoge bloeddruk of andere symptomen van hart- en vaatziekten, anderen ontwikkelde type-2 diabetes, chronische longziekten of schilklierproblemen. Vrijwel al deze patiënten waren, toen ik ze zo’n 15 jaar daarvoor had leren kennen, na de geboorte van hun eerste of tweede kind, nog allemaal kerngezonde jonge mensen. Aanvankelijk zag ik hen dan ook alleen op mijn spreekuur, als een van hun kinderen iets mankeerde. Voor zichzelf hadden ze nooit een dokter nodig gehad.